Voor mensen die naamloos

Afgelopen week stond in Trouw een artikel onder de titel “Orthodoxie in den vreemde”. Het ging over uitbreiding van Oost orthodoxe kerken in Nederland. Mensen die uit een ander land zijn gekomen en elkaar ontmoeten in een kerk waarin hun eigen taal en rituelen worden gebruikt.

Wat mij daarin trof was de laatste alinea: Ik citeer: “Ik heb de kerk nodig als een sociale plek. Bidden kan ik thuis ook. Maar het sociale aspect van het geloof kan ik alleen in de kerk. Ik kende niemand toen ik voor het eerst naar deze kerk ging, maar nu ken ik iedereen”. Einde citaat. Gekend worden is diep in ons menszijn geworteld. Gekend worden door God en onze naasten. We zingen dat straks in psalm 139 en wie kent niet het lied gezongen door Trijntje Oosterhuis “Ken je mij” gebaseerd op psalm 139 …

De tekst heeft vier strofen van zes korte regels.

Een tekst voor mensen op weg, mensen die getekend worden door ervaringen van voorlopigheid, onzekerheid en kwetsbaarheid, mensen die nog zonder naam zijn. De eerste helft van iedere strofe geeft een karakterisering van deze mensen. De tweede helft doet een toezegging, roept een nieuwe werkelijkheid op
Opvallend is dat het in de eerste helft steeds lijkt te gaan over anderen, onpersoonlijk aangeduid met mensen, terwijl het in de laatste regel gaat over ‘wij’.

En ‘hier’ in het eerste couplet duidt op de plaats waar het lied wordt gezongen, de plaats waar mensen dus wij samenkomen om liturgie te vieren in woord en gezang hun wel en wee voor de te Levende brengen en luisteren naar Gods woord maar ook luisteren naar elkaar ook tijdens de koffie na de dienst. Ook daar worden wij gekend. Tijdens deze en in elke bijeenkomst vindt steeds de verandering plaats.
Wij worden gekend door het krijgen van een naam, kunnen wij bestaan, worden verstaan en dragen van zijn naam.

Schrijf een reactie:

*

Your email address will not be published.

© 2018 - PG THOMAS.
Ontwerp & Realisatie: de ReclameSjef.