(Afbeelding: icoon geschilderd door Wil de Groot)

De basis van dit lied is het verhaal van Elia (1 Koningen 19: 4-8)

Alleen al de eerste regel van dit lied van Huub Oosterhuis roept het beeld op van de mens zoals dat in veel poëzie en wereldliteratuur geschilderd wordt, namelijk dat wij ‘levenslang’ reizen, de mens dus als reiziger, altijd onderweg. In die wereldliteratuur is van die reisverhalen de Odyssee van de Griekse schrijver Homerus wellicht de bekendste. Het is dit zoeken dat wij ook verwoord horen in het lied van Oosterhuis als de reiziger.

De Bijbel

Ook in de Bijbel, dat grote verhalenboek waarin mensen de richting van hun leven onder woorden hebben gebracht, is er sprake van reizen en op weg gaan. Je kunt daarbij aan Abraham denken maar ook aan het volk Israël waarvan hij de stamvader wordt genoemd. Mensen zijn onderweg naar hun bestemming, naar een land dat beloofd is, naar een leven dat ons harmonie en gerechtigheid voor allen beloofd. Bij die zoekers horen ook de profeten en van hen is Elia wellicht het prototype. Niet voor niets staat hij in het evangelie model voor alle profeten als hij op de berg Thabor samen met Mozes in gesprek is met Jezus. Hij is een man die worstelt met zijn bestemming en levensroeping en in dit prachtige lied van Oosterhuis wordt ons een inkijk gegeven in zijn ziel. Wij horen in de tweede strofe dat hij wil ophouden met zijn werk omdat hij diep en diep teleurgesteld is in zijn missie. Hij ondervindt tegenwerking en wordt niet gehoord. Toch komt zijn arbeid voort uit liefde. Uiteindelijk is het de liefde voor het ‘Spreken van God’ – het Woord – zoals dat in de boeken van de Thora tot hem gekomen is. Maar liefde is blind, zeggen we wel eens en dat is ook zo bij deze mens die eigenlijk verteerd wordt door genegenheid voor het geheim.

Hij heeft ook haast want dat woord moet als een lopend vuur bezit nemen van mensen. Vandaar dat er staat dat hij zijn hart wil breken voor de Eeuwi-ge. Dat kan niets anders betekenen dan dat hij heel zijn wezen in dienst stelt van zijn roeping. Liefde gaat voor hem uit en de twijfel achtervolgt hem. Twee gemoedsbewegingen vechten in hem en dan stokt het, hij legt zich erbij neer en verlangt naar het einde.

Er ontwaakt voor Elia in die nacht van vertwijfeling een licht. Hij weet zich opnieuw gezien en bemind en dat is als voedsel voor hem, hergeeft hem zijn kracht en doet hem uit de dood opstaan. Nee, zijn weg is niet ten einde, hij gaat verder maar in een besef van herboren zijn. Niet langer is zijn weg en zijn roeping eenzaam want hij weet dat zijn oude liefde slechts de weerklank was van een grote liefde en bewogenheid die hem omgeeft en draagt. De twijfel die hem eerst achtervolgde is voorbijgegaan zonder een spoor achter te laten en wat zijn diepste zekerheid is geworden is de reisgenoot die hem nooit meer verlaten zal.

De reisgenoot
De naam van de reisgenoot kun je alleen maar omschrijven als een ervaring van Iemand die er is voor hem. Het is de Naam van de eeuwige die zijn naam waarmaakt, die doet wat hij zegt: ‘Ik zal er zijn zoals ik er zal zijn’. Die naam, dat grote besef van de aanwezigheid van een tegenover, een vriend en reisgenoot, kan ieder van ons ten deel vallen op onze levenslange reizen.

Schrijf een reactie:

*

Your email address will not be published.